Monthly Archives: January 2013

Ontbijt op bed

Wakker worden kan zeer doen. Mijn wekker staat op 6:30. Het wordt langzaam licht. Door het verluchtingsgat van de tent pols ik even naar het weer dat er blijkbaar niet op is vooruitgegaan. De mist hangt als een vochtig deken over het strand. Het had evengoed een beachvolley-veldje in het centrum van eender welke stad kunnen zijn. Gelukkig hoor ik het gebulder van de golven nog, anders was mijn geploeter door natte weilanden en duinen gisteravond helemaal een maat voor niets geweest.  

Inpakken maar, de fiets op! Gewoon doen alsof de zon schijnt. Halverwege dit routineklusje begint het opnieuw te regenen, net zoals de twee vorige dagen. Ik zucht eens diep. Dan maar liggend in mijn tentje eten. Boterhammen met Macedonian caviar, een geschenk van mijn Macedonische vrienden, dan een soort notenpasta die ik verkeerdelijk voor pindakaas aanzag en wat wortels.

Tijdens mijn ontbijt, karig, kijk ik wat rond in mijn tent, voel ik links en rechts eens aan wat spullen. En dat is niet bepaald bemoedigend. Het onderzeil van de tent is vochtig, mijn matje en slaapzak ronduit nat. De kleren die ik gisterenavond aanhad zwaar van de nattigheid. Mijn voortent een en al modder. Ik sta precies op de camping van een ondergelopen festivalweide. Op mijn fototoestel, mijn grootste zorg op dit moment, parelen de condensdruppels als tevoren. Als ik dat niet vlug kan laten drogen vrees ik dat hij de reis niet zal overleven…

Een uur later heb ik mezelf in mijn kletsnatte handschoenen en schoenen gewrongen en dwing ik mezelf tot een idioot snel fietstempo. Hoe vlugger ik opgewarmd geraak hoe beter. De weg laat dit tempo helaas niet altijd toe. Modder, putten en kuilen. Asfaltwegen of gravelwegen, het verschil is niet altijd even duidelijk onder de laag modder. Voorbijsukkelende auto’s en vrachtwagens sturen een lading geelbruine of roodbruine spetters op je af.

Op het einde van de dag haalt de regen het van mijn doorzettingsvermogen. Ik zie een bordje ‘hotel’ staan, voor 15 euro zit ik droog. Met verwarming, warme douche, wireless internet. 10 Minuten later sta ik met mijn regenbroek en mijn volledige tent onder de douche en verstopt het putje van de douchebak met modder en bladeren. Tot laat in de nacht leg ik een voor een mijn kleren en mijn tent te drogen op de radiator.

Trabzon en mijn visum voor Iran, dat werd goedgekeurd, wenken. Nog een tweetal weken ploeteren in de regen en ik ben er, maar het ziet ernaar uit dat het behoorlijk wat doorzettingsvermogen zal vragen.

image

image

image

image

image

Always Coca-Cola

Ik heb cola nodig. Maar liefst twee liter. Niet om mijn eigen honger naar suiker te stillen, maar om soep te maken. Je leest het goed: soep, naar Taiwanees recept. Ook een hele broccoli, een kilo wortelen, tomaten, aardappels, ajuinen, knoflook, een halve kip en een tiental eieren zullen nog in de soepketel verdwijnen. De kers op de taart is een kilo spaghetti. Dat wordt smullen!

Cola dus. Makkelijk gevonden in de Dia, de lokale supermarktketen, die in het hostel als Turkse Lidl aangeprezen wordt. Net voor ik daar de kassa passeer moet ik voorbij de rekken met snoepgoed. Dat is budgettair gezien altijd een riskante onderneming met mijn zoete tand, maar ik kan er letterlijk niet aan voorbij. Je hoort me dus al van ver afkomen dat ik even vertraag, uiteindelijk volledig tot stilstand kom en met volle interesse de chocolade onderzoek. Mijn laatste stuk chocolade dateert van Kroatië en dat lijkt een eeuwigheid geleden.

Ik ben niet de enige die hier staat te twijfelen. Naast me staat een oudere man in kostuum. Hij draagt een gouden brilletje op het puntje van zijn neus en onderzoekt zo voorovergebogen de rekken dat ik vrees dat zijn hoedje ieder moment de strijd tegen de zwaartekracht zal verliezen. Zijn hoofd beweegt langzaam van links naar rechts.

Onverwacht doet hij een stap zijwaarts en recht hij zijn rug, zodat we schouder aan schouder staan. Of beter, schouder aan elleboog, hij is niet bepaald van de grootste. Zonder in mijn richting te kijken spreekt hij zachtjes een volledige Turkse volzin uit, waarna hij me met pretoogjes recht in de ogen kijkt. Dan pas beseft hij dat ik er geen snars van begrijp. Hij grijnst een keer ter verontschuldiging, trekt dan eens stevig aan mijn baard en spreekt weer een volzin uit. Zonder een antwoord af te wachten zet hij weer een stap zijwaarts, buigt zich voorover en vestigt zijn aandacht opnieuw op het snoepgoed. Ik betaal en haast me met een wat verbaasde grijns terug naar de gesneden soepgroenten in het hostel.

Net zoals de voorbije dagen koken en eten we daar samen: drie fietsers en een backpacker die tot laat in de nacht youtube-muziek door de boxen laten schallen, schaak spelen of verhalen vertellen. Net voor we onder de ruwe dekens kruipen, haal ik mijn dessertje te voorschijn. Met de bijbehorende anecdote smaakt die eens zo zoet. Net als de verrassend heerlijke cola-soep.  

image

image

image

Overgewicht

Ik miste enkele vingers van mijn dunne paar handschoenen. Dat was koud aan die bewuste vingers, maar ik vond dat een goede zaak. Want dat was weer een gram stof minder die ik moest meezeulen.

Helaas. De handschoenen ben ik net voor Istanboel kwijtgespeeld tijdens het drinken van een aangeboden theetje. Nu heb ik een nieuw paar handschoenen moeten kopen. Met vingers dus en zo ook enkele grammen meer. Handschoenen ook zonder een verleden. Zonder stof en zweet van de laatste 4000 kilometers. Het ziet en voelt er behoorlijk clean uit. Het mist iets. Laten we het op charme houden.

Fietsbroeken, een moortje en een waterzak mogen gelukkig achterblijven in Istanboel. In de plaats daarvan komen twee zware nieuwe buitenbanden, als reserve. Vouwbanden die je kan oprollen tot een pakketje dat toch een beetje handelbaar is. Ik moet ze dus niet rond mijn nek hangen, zoals de wielrenners van weleer.

Een camelbag die ik als rugzak kan dragen komt er ook bij. Zodat mijn lichaamswarmte er in koude dagen voor kan zorgen dat water, water blijft. Een blok ijs drinkt niet zo makkelijk, zo heb ik tot grote ergernis mogen vaststellen.

Niet alleen mijn fietstassen zitten nu overvol. Ik voel mij ook weer rondgegeten. En dat is ook alweer een tijde geleden. Linzensoep, pede, kebab, balli, baclava hebben mijn eeuwige hongergevoel van de laatste maand een halt toegeroepen. Eindelijk. Niets frustrerender dan goed eten, afwassen en weer honger hebben voor je goed en wel onderweg bent. Een bodemloos gat leek het, die maag van mij.

De batterijen zijn dus weer opgeladen. Rest me nog te beslissen welke route ik de volgende dagen ga volgen. Noodweer teistert het binnenland van Turkije. Sneeuwstormen, abnormaal koude nachten. Dorpen die van de buitenwereld afgesloten zijn. Ga ik hopen op wat sneeuwruimers die als geroepen mijn route sneeuwvrij maken? Ga ik er dwars door ploeteren? Of ga ik noordelijker de kustweg langs de Zwarte Zee volgen, profiteren van het gematigde zeeklimaat? Minder kans op sneeuw is er ook in Zuid-Turkije, Syrië en Irak. Maar daar zou de grond wel eens te heet onder mijn voeten kunnen worden.

Ik laat het nog even bezinken. Eerst nog wat ronddolen in Istanboel. Prachtig en schijnbaar eindeloos. Moest ik geen doel voor ogen hebben, ik zou hier een maand blijven. Wat Turks leren. Ronddolen in steegjes, alle soorten baclava eens uitproberen. En als ik alles geproefd heb, gewoon weer opnieuw beginnen.

image

image

image

image

image

Turkish tea

Het ijsregent. Het waait. Het vriest net niet. Ik sta te eten onder beschutting van een afdakje aan een tankstation op de grote weg van Ipsala naar Istanbul. Veel verkeer komt hier niet. Lang sta ik niet in de kou want vijf minuten later wenkt de pompbediende me naar binnen. Hij doet teken dat het buiten veel te koud is en binnen veel warmer.

Ik stap de drempel van zijn wachtlokaaltje over met mijn hompje brood en een stukje chocolade in de hand. Het laatste restje van de rijkelijke mondvoorraad die Chang en ik hadden, voor we plots beseften dat het weldra zondag was en de winkels gesloten zouden zijn. Dat was ook voor de grenspolitie ons met een kordate’ you go, you stay’ aan de grens uit elkaar rukte. Het afscheid was kort, te kort om onze voedselvoorraad te delen.

Zo eindig je dus een dag later nat en verkleumd van een uurtje ijsregen in het broeierig warme wachtlokaaltje van een pompbediende. ‘Tea?’ Vraagt hij. Ja, dat zegt me wel wat. Hij tovert een glas te voorschijn, kwakt er heet water en een theezakje in. Een minuut later vist hij dat zakje er met zijn blote handen uit, neemt het in zijn vuist en knijpt het boven het glas uit tot het droog is. Vijf seconden en drie klontjes suiker later is de thee van mij. Heerlijk.

We kijken samen naar in stilte naar John Wayne die aan de lopende band bandieten afknalt in een western uit de jaren stilletjes. De pompbediende houdt met een oog het beeldscherm in de gaten, met het andere mijn fiets en de occasioneel voorbijrazende auto.

20 doden later is mijn thee op. Met natte, maar op zijn minst warme kleren spring ik mijn fiets op. Wist ik toen veel dat ik enkele kilometers verder opnieuw aan de thee zou zitten en dat dat het stramien van de dag zou worden…

Met dank aan Hakan, Ahmet, Erdinc en alle anderen!

image

image

East meets west

Ver boven me door een opening in het dak: de maan. Helder. Af en toe verborgen door een klein wolkje. Wat sterren zie ik ook. Zowat tien keer meer dan thuis. Lichtvervuiling kennen ze hier niet.

Links van me ligt Chang. Een Taiwanees die eergisteren nog maar een stipje aan de horizon was. Helemaal aan het einde van een lange, wat saaie weg richting Turkije. Een stipje dat niet dichterbij leek te komen.

Een stipje dat een hele poos later een fiets leek te zijn. Met fietszakken zowaar! Fietszakken die ondertussen maar liefst twee en een half jaar lang hun werk doen. Die ondertussen al aan de derde fiets hangen. De eerste fiets werd in Parijs gestolen, de tweede gaf het op in een Noorse Fjord. De man op de fiets heet Chang. De man die iedere hond toebrult dat hij honger heeft, die Canadese beren op zijn pad verjaagt met bear spray. This is my hero!

Het wordt ondertussen licht. Ik ontdek vaag de contouren van mijn fiets en de grote poort waarlangs we gisterenavond naar binnen reden. De massa kapotte flessen ook. De kartonnen dozen. Hele stapels. Nog niet eens gevouwen. Nu liggen die niet-gevouwen dozen onder ons. Als extra isolatie en bescherming tegen de glasscherven. Ik denk aan het karkas van de dode hond dat net buiten de toegangspoort ligt, met ter hoogte van zijn ingewanden een groot gapend gat waardoor zijn ribben de lucht in priemen. Uitgehold en leeggegeten door aasvogels. Beetje luguber.

Dan was de brandkast die we gisteren in deze verlaten fabriek vonden interessanter. Massief. Manshoog. We gingen onmiddellijk als echte professionals aan de slag. Draaiden aan de knoppen, probeerden al onze sleutels uit. Misschien ben ik ondertussen wel multimiljonair…?

image

image

image