Monthly Archives: February 2013

Het is maar wit

30 kilometer voor Erzurum is het zover. Krak. Mijn ketting slaat door en blokkeert. Ietwat uit evenwicht kom ik in de besneeuwde berm van de autostrade tot stilstand. Niet erg. Het landschap is prachtig. Ik neem de tijd om eerst te genieten.

Ik kan het niet genoeg herhalen: dit is wit, dit is prachtig en doet je wegdromen. Een kale vlakte waar de wind vrij spel heeft. Rechts op enkele kilometers afstand wit besneeuwde, zacht glooiende heuvels. Klaar om als eerste je voetafdruk in achter te laten. Links grillige, spitse bergpieken. Een prachtig stuk natuur, kilometers desolaatse stilte. Ik had veel van Turkije verwacht, maar dit slaat me met verstomming. Je rijdt continu boven de 1500 meter op een plateau, vandaar de koude, en de pieken reizen hier met gemak tot boven de 3000 meter. De enige tekortkoming is dat de autostrade vaalgrijs dwars door dit landschap slingert.

Soms lijkt het een aanslag op je zintuigen te zijn. Letterlijk, want na een zonnige dag zie je ‘s avonds sterretjes voor je ogen door het scherpe licht. En ook de stilte is indrukwekkend. Tot nu toe zijn er drie plaatsen geweest waar ik bijna volmaakte stilte heb beleefd. In het grensgebied tussen Slovenië en Kroatië, diep in de nacht, op de kustweg in Kroatië en op sommige stukken langs de Zwarte Zee.

Hoe langer je deze stilte kan ervaren hoe leuker het wordt en tegelijkertijd ook beangstigend. Je hoort je hart pompen, het bloed door je aderen razen, je ademhaling. Iedere beweging die je maakt lijkt oorverdovend. Je regenjas ritselt, de klik wanneer je schoenen zich vastzetten in je klikpedalen lijkt oorverdovend, het geklots van je drinkwater, je ketting die lichtjes ratelt, plastieken bevestigingen van je fietstassen die kreunen onder het gewicht wanneer je over een oneffenheid rijdt. Banden die naargelang de snelheid en staat van het wegdek een ander lied zingen. Hoe stiller het is, hoe meer je hoort en…hoe minder stil het wordt.

Eens in Erzurum worden je zintuigen versmacht door het lawaai en de stank van de stad. Je proeft, riekt en hoort iedere verreden kilometer en van de maagdelijk witte sneeuw blijft al gauw niet veel meer over dan een vuile platgereden brij.

Dit wordt mijn thuis voor de volgende dagen. In kleinste versnelling ben ik tot hier gesukkeld. Als een gek trappend. Nu hopen dat ze hier een fietsenhandel met wisselstukken hebben. Een speld in een besneeuwde hooiberg… en tegelijkertijd welgekome rust voor pijnlijke knieën.

image

image

image

image

image

image

image

image

image

Advertisements

C’est vous le cyclist?

Het is koud:
Wanneer je drinkwater na een pauze van een klein uurtje bevroren blijkt te zijn, en je tijdens het fietsen voortdurend een druipneus hebt en tranende ogen.
Wanneer je versnellingen het plots niet meer doen door aangekoekte en bevroren modder en de pot honing ettelijke uren nodig heeft om weer vloeibaar te worden.
Wanneer je ‘s morgens liggend in je slaapzak ontbijt om het koude moment zo lang mogelijk uit te stellen en iedere avond uitkijkt naar het opzetten van je tent omdat je het dan warmer zal hebben.

Vloeken, wanneer je na een voormiddag onafgebroken klimmen denkt dat je stilaan boven bent en dan het bordje ‘helling’ ziet. Met daaronder ‘8 kilometer’. Wanneer je boven op een pas aankomt en merkt dat je de afgelopen vijf minuten niet meer rondgekeken hebt en al dat moois hebt gemist. Wanneer op die weg naar boven een strakke wind staat, in de verkeerde richting.

Genieten, wanneer je boven aankomt en zo ver het oog reikt ‘wit’ heerst. Dat geldt zowel voor lucht als bergen. Wanneer rechts de zon onverwacht doorbreekt en je merkt dat berg eigenlijk wolk is. En jij daarboven staat.
Wanneer je 10 kilometer afhaspelt op minder dan 10 minuten in een snelle afdaling en je je remmen niet moet gebruiken. Wanneer werkmannen stoppen met werken, je aanmoedigingen toeroepen en truckchauffeurs wild zwaaiend voorbijtoeteren.
Wanneer je verkleumd en wel beneden in het dal de zoveelste thee aangeboden krijgt en je merkt dat je stilaan basisconversaties kan voeren.

Schrikken, wanneer je in de verte een dier ontwaart en je pas na het nemen van een foto heel wazig een vos ontwaart. Niet de gevreesde wolf.

Wanneer 3 Duitse herders je achterna zitten en plots verschrompelen tot schoothondjes bij het aanstormen van een schijnbaar genetisch gemanipuleerde cerberus met een halsband waaruit stalen pinnen van wel 10 centimeter de lucht in priemen.

Maar hoe voel je je dan wanneer je tijdens festiviteiten in een stadje van 30000 inwoners aangesproken wordt, en ze vragen: c’est vous le cyclist?

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

En dichter, en dichter, en…

Een piepklein hotelkamertje pal in het centrum van Trabzon. Eentje met babyblauw geschilderde muren, een bed met ietwat groezelige dekens, een nachtkastje dat wel betere tijden heeft gehad, een metalen stoel en wastafel. Boven het bed hangt er een gezellige spaarlamp. That’s it. De douche en toilet kan je op de gang zoeken, een ontbijt is er niet. Het heeft de charme van een gevangeniscel, maar het kost dan ook maar een habbekrats. De lobby daarentegen was best wel charmant.

Je wordt wakker na een veel te warme nacht. De verwarming kan je hier niet zelf regelen en staat de hele nacht roodgloeiend, alsof het hier Siberisch koud is.

De zon schijnt, de hemel is staalblauw. Ver weg zie je de besneeuwde bergtoppen die je de volgende weken voor de kiezen gaat krijgen. De was die je gisteren te drogen had gelegd op de radiator is kurkdroog, dat betekent dat je je volgende kledingstukken kan gaan wassen.

Maar die was kan wachten. Vandaag staat alles in het teken van mijn visum voor Iran. Mijn voor-aanvraag via een visumbureau werd einde januari al goedgekeurd en naar het Iraans consulaat in Trabzon gestuurd. Hoog tijd dus om naar dat consulaat te stappen en dat visum in ontvangst te nemen.

Dat betekent een wandeltochtje van 5 minuten naar een hoger gelegen gedeelte van de stad. Door de ochtenddrukte heen. Zoals in ieder stadje ziet het ook hier zwart van de minibusjes. Maaar vergis je niet, die minibusjes zijn wel degelijk wit. De zon brandt op je rug en in je nek wanneer je voor het eerst de Iraanse vlag ziet wapperen in de ommuurde tuin van een villa. Een bewakingsagent heet je hartelijk welkom en schudt je de hand. Je mag naar binnen via een deur naast de grote ingang en staat in een bureautje met een gesluierde vrouw.

Je geeft je paspoort af, vult een formulier in waarop je je persoonlijke gegevens invult, en vermeldt wie je reis betaalt, hoeveel geld je plant mee te nemen, welke grensovergang je gaat nemen. Dan krijg je een minuscuul papiertje met een rekeningnummer, het te storten bedrag en via welke bank je dat moet doen.

Op zoek naar een wisselkantoor en de juiste bank dus, waar je een nummertje trekt en je tijdens het wachten verbaast over het feit dat de bankbedienden hier niet achter gepantserd glas zitten. Engels spreken ze hier niet, maar met de 75€ cash in mijn linkerhand en het papiertje met het rekeningnummer in de rechterhand hebben ze algauw door waar je naartoe wilt. 5 minuten later sta je weer in het zonnetje met het overschrijvingsbewijs en een grijns op je gezicht. Zou het dan toch zo eenvoudig zijn?

Alle horrorverhalen over absurd lange wachttijden ten spijt heb ik die avond een 30-dagen visum op zak. Op naar Iran dus. Dwars door het koude Turkse binnenland. Nog twee weken klimmen en mijn nieuwsgierigheid wordt eindelijk beloond.

image

image

image

image

image

image

image

Donderwolkjes

Gele wolkjes, oranje wolkjes, rode wolkjes, donkere wolkjes met een fel verlicht randje, donderwolkjes. Iedere keer als je kijkt speelt de zon met ander licht. Maar eigenlijk houd je maar beter je ogen voor je gericht, op het verkeer dat hier chaotisch is.

Vrachtwagens denderen op het derde baanvak, tussenin wriemelen taxis zich een weg naar de volgende klant. Op het rechter baanvak beweegt er niet zo veel. Dat is het terein voor de dubbel geparkeerde waaghalzen en voor de minibusjes die hier hun vracht afleveren. Meestal doen die dat door zich van het middenbaanvak naar het rechterbaanvak te gooien en ondertussen vol op hun rem te gaan staan. Ontspannen kan je het rechter rijvak dus niet noemen, want de grootste heeft hier altijd voorrang. Als fietser delf je dus het onderspit. Steevast.

Samsun binnenrijden was lekker ontspannend, wat een verschil met deze heksenketel. 100 meter naar de kust toe, parallel met de drukke invalsweg, liep er een leuke promenade waar de rijkere Turk liet zien hoe rijk hij was. Dure auto’s, de ene horecazaak na de andere, een breed strand. Ik voelde me in West-Europa. Het uitzicht op de stad was ook niet slecht. Azuurblauw water met volgebouwde heuvels daarachter. Van ver leek het wel een skyline met wolkenkrabbers.

Zo realiseer je je wel plots dat dit geen stadje meer is waar je even doorpeddelt. Het tempo werd dus opgedreven, want hier gratis slaapplaats vinden zou niet van de poes zijn. En zo werd het donker en race je over de ringweg door de buitenwijken tot je de eerste bordjes richting Trabzon ziet. Het wordt gaandeweg wat landelijker en stilletjesaan kan je links en rechts al wat grasveldjes zien opduiken.

Om een lang verhaal kort te maken: ik heb al mijn truken uit de kast gehaald op zoek naar gratis slaapplaats, maar zoals meestal in of rond een grote stad verwijst iedereen die je aanspreekt je naar een hotel door. Heel frustrerend als de persoon in kwestie met zijn voeten in lekker mals gras staat. Maar zelfs daarop wijzen, letterlijk en figuurlijk, had geen zin.

Een hotel dus, ver boven budget. Eigenlijk een resort. Het enige dat erop zit is onderhandelen. En als dat niet naar wens verloopt, koppig stilzwijgend net naast de manager gaan staan, terwijl die buiten zijn sigaretje gaat roken. In je vuile kleren. Stinkend naar zweet. Met een wilde baard en haardos die er grijs uitziet van het stof. Gewoon blijven staan, nietzeggend. Daar wordt zo’n man in maatpak nerveus van. 5 minuten later zit ik op mijn kamer.

Ondanks de korting nog steeds balen want het verschil met gisteren is hemelsbreed: thee drinkend bij de iman, terwijl mijn tentje net naast de minaret staat. Of enkele nachten daarvoor, toen ik me liet opsluiten in een rehabilitatiecentrum, of die nacht in dat leegstaand hotel, of dat aangeboden appartement, of die keer dat mijn tentje mooi in het midden van een zandstrand stond en plots in elkaar klapte na enkele windstoten. Wat heeft me dat moeite gekost om mijn tent niet kwijt te spelen… Toch een zotte voorbije week alweer.

Ah ja, de route vandaag? 100 kilometer autostrade. Zon. Meer dan 20 graden. Toen was er nog geen wolkje aan de lucht.  

image

image

image

image

image

image

Konijn met lood

Dat ene streepje zon. Dat zonovergoten zandstrandje waar mijn spullen wat konden drogen. Die rotskust in de woeste branding eindelijk eens kunnen zien. Die gemeende glimlach of dat knikje van de oude man op zijn krukje voor het theehuisje. Verbaasde blikken of gezwaai vanuit tegenmoetkomende mini-busjes.

De ontelbare keren dat je thee wordt aangeboden. Moest ik ze allemaal aanvaarden zat ik nu nog steeds in de buitenwijken van Istanboel thee te slurpen. Dat ene weergaloze vergezicht net voor Kuracasile, helblauw water, dreigende wolken en een stadje dat veraf lijkt te schitteren in de zon, en een weg ernaartoe die zich slingerend de dieperik in stort. Die onbeschrijfelijke stilte die hier heerst.

Die ongelofelijke rust wordt af en toe wel heel abrupt onderbroken, want knallen doet het hier regelmatig. Wat dat betreft lijkt de jaaglust van de Turken op die van de Albanezen. Eenmaal was de knal zo luid dat ik dacht dat de net voorbijrijdende vrachtwagen een klapband had. Loos alarm, want het was maar een jager die net naast me in de berm een konijn de lucht in blies. Dat vinden zelfs de Turken wat link, want er stopte meteen een mini-busje om de jager eens de levieten te lezen.

Ondertussen stond ik ook stil, met een vervelende pieptoon in mijn oren en een hart dat moeite had om te bedaren. Dan priemde er plots een bebloede wijsvinger in mijn navel en vroeg de man met pet en geweer of ik geen konijn lust. Of beter gezegd: dat maakte ik ervan, want Turks spreek ik nog steeds niet. “Neen, dank je”, was mijn antwoord, konijn met stukjes lood zei me niets. Bovendien spartelde het pluizige beestje in mijn linkerooghoek nog steeds een langzame dood tegenmoet.

Zelf schoot ik vandaag ook een projectiel af, zei het dan onbewust en volledig onschadelijk. Er rammelde al de hele dag iets, zo ter hoogte van mijn remmen. Dat verontrustte me wel met die zotte afdalingen hier. Alle boutjes en schroefjes eens aandraaien, eens zien of dat helpt. Neen hoor. Het rammelde lustig verder. Tot plots het schroefje van mijn fietsbel het vrije luchtruim koos, gevolgd door de bel zelf. De moeite om te zoeken heb ik me bespaard. Ja, die boutjes…  ook die van mijn bagadrager namen gisteren het hazenpad. En die kilometerteller heeft er nu ook echt meer en meer genoeg van, net zoals mijn eens nieuwe en zo mooi glimmende leren zadel. Oordeel zelf maar.

image

image

image

image

image
image